Met een betere afbakening van illiquide vermogen kan box 3 door
Het nieuwe box 3-stelsel, dat onlangs is aangenomen door de Tweede Kamer, stuitte op veel weerstand. De minister van Financiën kondigde daarom aan het wetsvoorstel te gaan aanpassen. Wat kan er beter?
Verscheen ook in ESB (14 april 2026)
In het kort:
Een aanwasbelasting is beter dan een winstbelasting of vermogensbelasting, en is momenteel als enige uitvoerbaar.
Het tarief in de nieuwe box 3 is hoog en het heffingsvrije resultaat laag, terwijl vermogen buiten box 3 nauwelijks wordt belast.
De omgang met illiquide vermogen in het voorstel van het kabinet moet beter, vooral waar het om start-ups gaat.
Al jaren is de belasting op spaargeld en beleggingen onderwerp van fel debat. In het belangrijkste instrument daarvoor, box 3 van de inkomstenbelasting, maakt de staat een aanname (‘forfait’) over het behaalde rendement en belast hij op basis daarvan. In 2021 achtte de Hoge Raad de grote verschillen tussen de werkelijke en de door de staat aangenomen rendementen in strijd met het discriminatieverbod (artikel 14) en het eigendomsrecht (artikel 1) uit het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens. De staat paste daarop het stelsel aan om de aannames beter bij de werkelijkheid aan te laten sluiten, maar ook dat kon niet op goedkeuring van de Hoge Raad rekenen.
Na een lange zoektocht over hoe het stelsel er dan uit zou moeten zien, stelde het Ministerie van Financiën voor om het werkelijke rendement te gaan belasten – een oplossing die de Belastingdienst eerder ‘structureel problematisch’ in uitvoering en handhaving noemde (MinFin, 2019). Die oplossing werd recent door de Tweede Kamer aangenomen (MinFin, 2025) en in de nasleep van de stemming in de Tweede Kamer ontstond flinke onrust onder vermogenden. Die onrust kreeg zelfs een internationale en een koninklijke dimensie, met tweets van Elon Musk (Algemeen Dagblad, 2026), een opinieartikel in The Washington Post (2026) en staatsrechtelijke vragen over de ruimte die Prins Constantijn in het debat neemt (Trouw, 2026b).
De kritiek is tweeledig. Ten eerste wordt de resulterende belasting als te hoog ervaren, met name voor aandelenbeleggers. Op sociale media worden veel rekenvoorbeelden gedeeld waaruit blijkt dat hun rendement door de belasting zal dalen. In een stelsel dat het werkelijke rendement, in plaats van het veronderstelde, belast, neemt de belastingdruk voor mensen die meer rendement maken namelijk toe, ook als de belastingdruk voor de gemiddelde box 3-beleggingen niet verandert.
Ten tweede is er kritiek op de omgang met illiquide vermogen zoals aandelen in een bv of in vastgoed. In een stelsel dat werkelijk, in plaats van verondersteld rendement belast, moet betaald worden bij waardestijging, ook al bestaat deze vooralsnog alleen op papier. Als het vermogen vooral uit waardestijgingen bestaat, zal de belastingplichtige mogelijk een deel van zijn investeringen moeten verkopen om de belasting te kunnen afdragen. Dat is niet altijd wenselijk of goed mogelijk. Vooral medewerkers van start-ups die aandelen krijgen als onderdeel van hun beloning maar die nog niet kunnen verkopen, komen hierdoor in een moeilijke positie.
Vanwege de onrust kondigde minister Eelco Heinen van Financiën aan de wet te willen aanpassen. Omdat die wet al door de Tweede Kamer is aangenomen, moet dat via een novelle. Stemt de Tweede Kamer met die novelle in, dan kunnen het wetsvoorstel, en de novelle die wijzigingen daarin aanbrengt, gezamenlijk in de Eerste Kamer worden behandeld. Het kabinet overweegt zo’n novelle met Prinsjesdag als onderdeel van het jaarlijkse ‘belastingplan’ naar de Tweede Kamer te sturen (MinFin, 2026).
Ondertussen heeft de Tweede Kamer andere plannen. De weerstand over het jaarlijks belasten van de vermogensaanwas is bij partijen ter rechterzijde zo groot dat zij liever een vermogenswinstbelasting op alle vermogensonderdelen toepassen. Rendementen worden dan nog steeds belast, maar pas nadat de belegging is verkocht. In het coalitieakkoord spraken D66, CDA en VVD de wens uit om dit op termijn zo te regelen. De linkerzijde vraagt zich daarentegen af of een vermogensbelasting, dus een belasting op het totale vermogen in plaats van op de rendementen daaruit, niet beter is. Zo’n vermogensbelasting lijkt op de oude box 3, is in de uitvoering gemakkelijker en sluit aan bij hun zorgen over de groeiende politieke macht van zeer vermogenden.
In dit artikel schets ik de weg vooruit met specifieke aandacht voor twee kritiekpunten op het recent aangenomen stelsel: de belastingdruk en de omgang met illiquide vermogen.
Vermogensaanwas economisch superieur
Academici hebben veel geschreven over óf en hoe vermogen en vermogensinkomsten moeten worden belast (Diamond en Saez, 2011). Een jaarlijkse belasting op het economisch voordeel dat er is genoten (een vermogensaanwasbelasting) blijkt betere economische prikkels op te leveren dan het belangrijkste alternatief, een belasting bij verkoop (een vermogenswinstbelasting).
Een vermogenswinstbelasting verlaagt de effectieve belastingdruk. Omdat de belasting pas bij verkoop plaatsvindt, kan de belastingbetaler doorgaan met beleggen met inkomsten die anders al waren belast. Dit levert weer extra rendement op, met als gevolg dat de effectieve belastingdruk daalt naarmate de belegging langer wordt aangehouden. Bij een reëel rendement van vier procent halveert de belastingdruk over een periode van vijftig jaar. (Bij een reëel rendement van acht procent blijft na vijftig jaar nog maar een derde van de belastingdruk over.)
Bijkomend nadeel van pas bij verkoop belasten is dat er een stevige prikkel ontstaat om bestaande beleggingen aan te houden (Gerritsen, 2025). Kapitaal stroomt dan minder snel naar waar het nodig is, wat slecht is voor nieuwe bedrijven.
Een verder belangrijk voordeel van vermogensaanwas is dat de prikkel om te lobbyen voor lagere tarieven of het creëren van sluiproutes kleiner is dan bij vermogenswinst. Bij vermogensaanwas wordt er jaarlijks afgerekend. Bij vermogenswinst ontstaan er met de tijd flinke belastingclaims en daarmee redenen om te lobbyen.
Ondanks de voordelen, komen vermogensaanwasbelastingen internationaal nauwelijks voor, omdat de heffing ervan bij illiquide activa problematisch kan zijn (OESO, 2025). Meestal wordt daarom gekozen voor een vermogenswinstbelasting. Dat geldt ook in Nederland, namelijk in box 2 (waar aandelenbelangen van boven de vijf procent in vallen) en straks in box 3: voor onroerend goed en startende bedrijven waar het huidige voorstel een uitzondering maakt – hier hoeft pas bij verkoop betaald te worden.
Het is ook mogelijk om te kiezen voor retrospectieve belastingen, waarbij de belastingdruk zo wordt aangepast dat deze niet afhankelijk is van de duur waarmee een belang is aangehouden, zie kader 1. Een simpele vermogensbelasting, zie kader 2, is dan weer geen goed alternatief.
Kader 1: Retrospectieve belastingen
De academische literatuur noemt een retrospectieve belasting een oplossingen voor de met de aanhoudingsperiode dalende belastingdruk bij een vermogenswinstbelasting (Auerbach, 1988; Bradford, 1996). Bij een retrospectieve belasting wordt het tarief afhankelijk van de vermogenswinst, waarmee de belastingdruk juist constant kan worden gehouden. Dit klinkt ingewikkeld, maar kan met een relatief eenvoudige formule (Land, 1996). Zulke ‘retrospectieve’ belastingen zijn nog nooit toegepast, maar zijn de enige manier om zowel een consequente belastingdruk te bereiken als illiquide vermogen pas achteraf te belasten. Mocht het kabinet parallel met het nieuwe stelsel een betere langetermijnoplossing willen uitwerken, dan zijn retrospectieve belastingen interessant.
Kader 2: Vermogensbelasting
De linkerkant van de Kamer prefereert een vermogensbelasting boven een vermogensinkomstenbelasting. Dat is onlogisch, want op termijn nivelleert een vermogensinkomstenbelasting de vermogensverdeling, waarover de linkerkant van de Kamer zich sterker zorgen maakt, juist meer. Het zijn namelijk de hoge rendementen die tot grote vermogens leiden en die een vermogensinkomstenbelasting belast (Guvenen et al., 2023).
Daarbij lijkt het onlogisch een vermogensbelasting in te voeren die enkel op de box 3-grondslag ziet. Die betreft immers maar zo’n achtste deel van de vermogensverdeling (Schoenmakers en Ziesemer, 2022), naast de grondslag van box 2 (ook een achtste), de eigen woning (een kwart), en de pensioenen (de helft). Dat is ook het geval als het doel is om de meest vermogenden meer te belasten: hun vermogen bevindt zich voornamelijk in box 2, niet in box 3.
Tot slot spelen ook juridische overwegingen een rol. Een vermogensbelasting zou volgens een advies van de Landsadvocaat ook bij de Hoge Raad kunnen sneuvelen als die leidt tot een belasting die niet kan worden voldaan uit de inkomsten op het vermogen (MinFin, 2022a). Waarbij dan vermoedelijk al snel de vraag op zal doemen of die inkomsten liquide zijn. Via de achterdeur komen daarmee de problemen rondom het belasten van illiquide vermogen dan weer terug.
Praktische overwegingen voor aanwas
Met de voorgestelde aanpak van vermogensaanwas worden voor het liquide deel van het vermogen allerlei nadelen voorkomen. Bij het pleidooi voor een vermogensaanwasbelasting komen een tweetal praktische overwegingen. Ten eerste ontvangt de overheid belastinginkomsten op een later moment als er wordt gekozen voor een vermogenswinstbelasting (Gerritsen et al., 2026). Volgt de minister van Financiën de begrotingsregels, dan zal de overheid dus moeten bijlenen, de middelen elders vandaan halen of het belastingtarief op dat wat er wel binnenkomt moeten verhogen. Dit gaat om veel geld; het uitzonderen van vastgoed ging gepaard met een cumulatieve belastingderving van 42 miljard euro (Trouw, 2026a). Om deze op te vangen, verhoogde het kabinet het belastingtarief. Een overgang op vermogenswinstbelasting kan dus zorgen voor een hoger tarief.
Ten tweede, de beperkte uitvoeringscapaciteit. De Belastingdienst is nu een heel eind op weg met de invoering van een vermogensaanwasbelasting per 1 januari 2028. Bij omschakeling naar vermogenswinstbelasting wordt die termijn zeker niet gehaald; een wetgevings- en uitvoeringstraject duurt een jaar of vijf. De keuze is dus tussen óf vermogensaanwas per 1 januari 2028 en daarna aan de slag met een vermogenswinstbelasting, óf tijdelijk geen belasting en de invoering van een vermogenswinstbelasting over vijf jaar – wat een flink gat in de begroting met zich meebrengt.
Belastingdruk relatief hoog
De reële belastingdruk in de voorgestelde vermogensaanwasbelasting in box 3 is hoog voor wie lage rendementen verwacht, wat komt omdat het belastingstelsel inflatie negeert. Haalt de Europese Centrale Bank haar inflatiedoelstelling van 2 procent, dan gaat straks bij een nominaal rendement van 6 procent en een statutair tarief van 36 procent een reëel tarief van 54 procent gelden. Bij een nominaal rendement van 4 procent is dat 72 procent.
Dat deze reële tarieven zo hoog zijn, komt doordat de reële rentes in de loop der jaren gedaald zijn. Bij de invoering van box 3 in 2001 gold een tarief van 30 procent en een forfaitaire aanname van 4 procent nominaal rendement. Dat was toen feitelijk een minimumrendement, dat behaald kon worden met investeringen in staatsobligaties. De meeste beleggers verdienden een stuk meer. De reële rentes daalden echter in de jaren die volgden, maar het forfait daalde niet wezenlijk mee – het werd juist aangesloten bij gemiddelde beleggingsportefeuilles. Feitelijk werd de belastingdruk zo dus verhoogd. In economisch opzicht is het nastrevenswaardig om op termijn wel rekening te gaan houden met inflatie (Diamond, 1975; Beer et al., 2023).
De hoogte van het belastingtarief kan de politieke druk mogelijk verklaren. De economische literatuur over optimale tarieven leent zich daarentegen niet tot al te stellige uitspraken over de optimale belastingdruk op vermogensinkomsten. Er is stevig debat over de vraag of het ‘risicovrije’ deel van het rendement überhaupt zou moeten worden belast en of het ‘bovennormale’ rendement dan moet worden gezien als overwinst of als beloning voor risico, wat weer tot andere conclusies leidt over optimale belastingheffing. Wanneer economen desondanks een vermogensinkomstenbelasting adviseren, wordt vaak de vraag gesteld hoe het tarief daarvan zich moet verhouden tot het marginale tarief op inkomsten uit arbeid (Saez en Stantcheva, 2018). Helaas volgen ook dan vooralsnog geen eenduidige conclusies. Of deze reële tarieven wel of niet wenselijk zijn, is dus vooral een politieke vraag.
De belastingdruk op vermogensinkomsten in zijn totaliteit is overigens wel laag (Jacobs, 2019), wat weer verklaart waarom velen geen boodschap hebben aan de klaagzangen van aandelenbeleggers. Die lage druk komt echter doordat pensioenen en de eigen woning fiscaal worden gesubsidieerd en er flinke vrijstellingen in de erfbelasting gelden (Gerritsen en Ziesemer, 2024; Korevaar, 2025). En ook in box 2 is de belastingdruk vermoedelijk laag, omdat die daar dus daalt naarmate aandelen langer worden aangehouden. Hoewel een hoge belastingdruk binnen de smalle box 3-grondslag wel de totale belastingdruk op vermogensinkomsten verhoogt, lost dat het onderliggende probleem niet op.
In plaats van het tarief te verlagen, kan ook het heffingsvrije resultaat van 1.800 euro (3,1 procent van het huidige heffingsvrije vermogen van 57.584 euro) worden verhoogd. Dit lage bedrag zorgt ervoor dat de Nederlandse vermogensbelasting potentieel een brede groep belastingplichtigen raakt. Economisch gezien is met een lage vrijstelling niets mis, maar een hogere vrijstelling zou de politieke druk wel kunnen verminderen.
Omgang met illiquide vermogen
Een ander punt van kritiek op het kabinetsvoorstel is dat belastingplichtigen belasting moeten betalen over niet verkochte beleggingen, wat kan leiden tot betalingsproblemen. Een logische gedachte is daarom illiquide vermogensonderdelen van de heffing uit te zonderen totdat deze verkocht worden. Door deze uitzondering wordt de aanwasbelasting voor illiquide vermogensonderdelen de facto een winstbelasting. Het kabinetsvoorstel gaat hier deels in mee en maakt zo’n uitzondering voor vastgoed en startende bedrijven.
Volgens het Ministerie van Financiën (MinFin, 2022b) is zo’n uitzondering echter niet per se nodig. In de oude box 3 wordt illiquide vermogen immers ook forfaitair belast, of je er nu rendement op had gemaakt of niet. Als dat leidde tot betalingsproblemen, dan bood de Belastingdienst een betalingsregeling van tien jaar en mogelijk zelfs meer aan. Zo’n 11.000 mensen maakten daar ten tijde van het onderzoek gebruik van. Het ministerie verwacht dat de groep die daarop aangewezen is bij een vermogensaanwasbelasting, ongeveer even groot is als de groep die daar nu gebruik van maakt. In het nieuwe stelsel verwacht het kabinet daarom dat juist minder mensen betalingsregelingen nodig hebben: in het nieuwe stelsel geldt voor vastgoed en startende bedrijven immers geen aanwas-, maar winstbelasting (MinFin, 2024).
Er zijn drie tegenargumenten. Ten eerste is de nieuwe wet een kans om het aantal betalingsregelingen omlaag te brengen. Alle 11.000 gevallen zijn immers onwenselijk.
Ten tweede zegt het aantal keren dat de betalingsregeling gebruikt wordt, niet direct iets over het onderliggende probleem. Zo komen uit gesprekken met fiscalisten gevallen naar voren waarbij werknemers aandelenopties niet verzilverden, omdat ze wisten dat ze de resulterende belasting niet konden voldoen. Het gebruik van een betalingsregeling hadden ze niet eens overwogen. (Door een wetswijziging in 2022 is dat probleem overigens opgelost – verzilverde aandelenopties worden nu pas belast als de aandelen verhandelbaar zijn.) Het aantal mensen dat potentieel in betalingsproblemen komt, zal dus groter zijn dan de door Financiën genoemde getallen doen vermoeden.
Ten derde kan het betalingsprobleem bij een aanwasbelasting in sommige gevallen veel groter worden dan bij een forfaitaire heffing. Vaak genoemd zijn aandelen in scale-ups die snel in waarde toenemen en waarover dus veel aanwasbelasting verschuldigd is. Bijzonder pijnlijk wordt de situatie als diezelfde scale-up vervolgens weer al zijn waarde verliest. Dan moet de belasting alsnog worden betaald, terwijl er geen vermogen meer is. Wat rest is een betalingsregeling bij de Belastingdienst en wellicht een persoonlijk faillissement.
Het voorstel van het kabinet probeert de problemen rond het belasten van illiquide vermogen weg te nemen door bedrijven die jonger zijn dan vijf jaar en minder dan 30 miljoen omzet maken uit te zonderen. Dit zal in veel gevallen echter niet werken. Een beursgang laat vaak veel langer dan vijf jaar op zich wachten, en ook de omzetgrens kan voor problemen zorgen. Juist in deze gevallen is het belangrijk dat er een oplossing gevonden wordt: start-ups zijn belangrijk voor de economie en belonen hun werknemers deels met aandelen. Deze werknemers hebben veelal weinig ander vermogen en moeten vaak uit het buitenland komen. Zij zullen niet naar Nederland komen als de onzekerheid over de fiscale behandeling van hun inkomen te groot is.
Het kabinet onderzoekt nu of de definitie van start-up verruimd kan worden, maar de vraag is of dat het probleem wegneemt (FD, 2026). De kern van het probleem is de liquiditeit van de aandelen, niet de leeftijd van het bedrijf. Onderscheid maken tussen illiquide en liquide aandelen is dus kansrijker dan het oprekken van de definitie van een start-up. In antwoord op vragen van de Kamer stelde het kabinet dat het moeilijk is om tot een bruikbare definitie te komen van ‘illiquide’ (zowel voor de Belastingdienst als voor de banken die gegevens aanleveren voor de vooringevulde aangifte), die past binnen de EU-staatssteunregels (MinFin, 2024). De meeste ruimte bood het kabinet aan het idee om slechts een beursgenoteerd aandeel als liquide te zien. Er zullen dan echter nog steeds gevallen zijn waarbij zo’n aandeel eigenlijk illiquide is. En er zullen ook aandelen zijn die onterecht als illiquide worden aangemerkt, zoals open-ended fondsen die niet beursgenoteerd zijn maar wel verplicht zijn de stukken van hun deelnemers in te kopen als die dat willen.
Dit onderscheid tussen beursgenoteerde en andere aandelen lijkt uitvoerbaar voor banken en de Belastingdienst, al zijn er wel zorgen over het staatssteunrecht. “Een voorbeeld hiervan zijn de voetbalclubs Ajax en Feyenoord”, schreef staatssecretaris Van Rij aan de Tweede Kamer. “Twee zeer vergelijkbare ondernemingen, waarvan Ajax beursgenoteerd is en Feyenoord niet. Een andere fiscale behandeling van de aandeelhouders van Ajax vanwege de beursnotering is niet goed verdedigbaar.” Toch wordt er elders in belastingwetten wel degelijk onderscheid gemaakt tussen verhandelbare en niet-verhandelbare aandelen. Bijvoorbeeld in een wet die regelt dat aandelenopties pas worden belast als de aandelen verhandeld kunnen worden (Tweede Kamer, 2021).
Mocht het echt onmogelijk zijn om liquide en illiquide aandelen te onderscheiden, kan in ieder geval de meest schrijnende situatie worden weggenomen door achterwaartse verliesverrekening toe te staan. Wie alleen papieren winsten maakt die nooit worden gerealiseerd, hoeft dan uiteindelijk geen belasting te betalen. Een amendement met deze strekking lag zelfs voor bij behandeling in de Tweede Kamer (Tweede Kamer, 2026), maar werd om budgettaire redenen afgewezen. Wel is verliesverrekening vaak in de tijd gelimiteerd, waardoor er nog steeds problemen kunnen ontstaan als de koerswinst te ver terug ligt. Nog beter zou het dus zijn om verliezen direct verzilverbaar te maken. Een verlies levert dan direct een negatieve belasting op.
Conclusie en voorstel
Het kabinet doet er verstandig aan om bij een vermogensaanwasbelasting te blijven. Overstappen op een vermogenswinstbelasting vraagt jaren aan nieuwe wetgeving en voorbereiding, terwijl zo’n systeem economisch minder optimaal blijft.
De logische route is om het bestaande voorstel te verbeteren. Vijf onderdelen liggen voor de hand. Ten eerste: behoud de heffing op werkelijk rendement en houd voor liquide vermogensbestanddelen vast aan vermogensaanwas als hoofdregel. Ten tweede: werk met een betere definitie van illiquide vermogen, of neem de grootste problemen weg door achterwaartse of verzilverbare verliesverrekening. Ten derde: verlaag zo nodig het tarief op aanwasinkomen en verhoog het heffingsvrije resultaat. Ten vierde: zoek de budgettaire dekking hiervoor niet uitsluitend binnen box 3 zelf, maar in de behandeling van vermogen elders. Ten vijfde: doe onderzoek naar de mogelijkheden om op termijn de gehele grondslag van box 2 en box 3 gelijk te behandelen door middel van retrospectieve belastingheffing en houd daarbij rekening met inflatie.
Literatuur
Auerbach, A.J. (1988) Retrospective capital gains taxation. The American Economic Review, 81(1), 167–178.
Algemeen Dagblad (2026) Elon Musk stemt lachend in: nieuwe Nederlandse belastingwet is ‘achterlijk’. Algemeen Dagblad, 15 februari.
Beer, S., M.E. Griffiths en A.D. Klemm (2023) Tax distortions from inflation: What are they? How to deal with them? IMF Working Paper, WP/23/18.
Bradford, D.F. (1996) Fixing capital gains: symmetry, consistency and correctness in the taxation of financial instruments. CES Working Paper, 118. Te vinden op www.ifo.de.
Diamond, P.A. (1975) Inflation and the comprehensive tax base. Journal of Public Economics, 4(3), 227–244.
Diamond, P. en E. Saez (2011) The case for a progressive tax: From basic research to policy recommendations. The Journal of Economic Perspectives, 25(4), 165–190.
FD (2026) Kabinet probeert onrust bij start-ups over box 3 weg te nemen. FD, 1 april.
Gerritsen, A. (2025) Een economisch perspectief op box 3: verleden en toekomst. Wetenschappelijke factsheet, 15 januari. Te vinden op www.tweedekamer.nl.
Gerritsen, A., R. van den Dool en B. Jacobs (2026) De vermogensaanwasbelasting krijgt veel kritiek, maar is beste keuze voor box 3. Het Financieele Dagblad, 27 februari.
Gerritsen, A. en V. Ziesemer (2024) Stop met het subsidiëren van pensioenvermogen. ESB, 109(4834), 262–265.
Guvenen, F., G. Kambourov, B. Kuruscu et al. (2023) Use it or lose it: Efficiency and redistributional effects of wealth taxation. The Quarterly Journal of Economics, 138(2), 835–894.
Jacobs, B. (2019) Fundamentele hervorming van belastingen op kapitaalinkomen. In: S. Cnossen en B. Jacobs (red.), Ontwerp voor een beter belastingstelsel. Amsterdam: ESB, p. 60–75.
Korevaar, M. (2025) Nog beter dan de hypotheekrenteaftrek afschaffen: verhoog het eigenwoningforfait. Instituut voor Publieke Economie, 4 september.
Land, S. (1996) Defeating Deferral: A Proposal for Retrospective Taxation. Tax Law Review, 52(45), 273–275.
MinFin (2019) Brief inzake bouwstenen voor een beter belastingstelsel (box 3). Kamerstuk 35 026, nr. 64. Te vinden op zoek.officielebekendmakingen.nl.
MinFin (2022a) Advies Landsadvocaat inzake vermogensbelasting 2023 en 2024. Pels Rijcken, Landsadvocaat, 18 maart. Te vinden op www.rijksoverheid.nl.
MinFin (2022b) Onderzoek betalingsproblemen box 3. Ministerie van Financiën, Memo, 23 augustus. Te vinden op www.eerstekamer.nl.
MinFin (2024) Kamerbrief: Toezeggingen Commissiedebat d.d. 18 april 2024 (Wet werkelijk rendement box 3). Kamerstuk, 15 mei. Te vinden op www.rijksoverheid.nl.
MinFin (2025) Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 voor het belasten van het werkelijk rendement uit sparen en beleggen (Wet werkelijk rendement box 3): Memorie van toelichting, 19 mei. Te vinden op www.rijksoverheid.nl.
MinFin (2026) Brief aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal over het digitaal pakket van de Europese Commissie. Kamerstuk 36890 M, 6 maart. Te vinden op www.eerstekamer.nl.
OESO (2025) Taxing capital gains: Country experiences and challenges. OECD Taxation Working Paper, 72.
Saez, E. en S. Stantcheva (2018) A simpler theory of optimal capital taxation. Journal of Public Economics, 162, 120–142.
Schoenmakers, J. en V. Ziesemer (2022) Infosheet: Vermogen. Instituut voor Publieke Economie, 16 december.
The Washington Post (2026) Inventors of capitalism seek to sabotage it. The Washington Post, 21 februari.
Trouw (2026a) GroenLinks-PvdA wil mensen met twee of meer huizen net zo belasten als spaarders en beleggers. Trouw, 3 februari.
Trouw(2026b) Zolang het volk niet mort, mag techprins Constantijn zeggen wat hij wil. Trouw, 10 maart.
Tweede Kamer (2021) Wijziging van de Wet op de loonbelasting 1964. Memorie van Toelichting. Kamerstuk 35929, nr. 3. Te vinden op zoek.officielebekendmakingen.nl.
Tweede Kamer (2026) Gewijzigd amendement van het lid Hoogeveen ter vervanging van nr. 9 over de mogelijkheid van achterwaartse verliesverrekening naar het voorafgaande kalenderjaar. Kamerstuk 36748, nr. 39. Te vinden op www.eerstekamer.nl.

